basket.timer.attention

basket.timer.time.is.running.out

#EnjoyTheLittleThings volgens Nele Reymen

In haar dromen zijn we allemaal eenhoorns die cupcakes kakken, aldus Nele Reymen, auteur en altijd hongerig naar voedsel voor brains en maag. Voor Juttu schrijft ze een column, ditmaal over de kunst van bonbons eten.

Drie keer kauwen en wèg. Hoe kan je nu zo achteloos een bonbon eten?

‘Zend mij wat kaas, opdat ik, als ik dat wil, een feestmaal kan houden.’ Deze gevleugelde woorden kwamen uit het zuinige mondje van een man die lang, lang geleden leefde. Hij heette Epicurus, was filosoof en zat ermee dat sommige mensen niet nadachten over hun geluk op lange termijn. Hij vond het bijvoorbeeld onverstandig om veel te eten als het enkel de bedoeling was om er instant genot uit te halen. Een genot dat na de kortstondige bevrediging niets meer oplevert dan maagpijn. De man stelde dat een mens met mate moet genieten en hing er een hele filosofie aan op. Zie het als de veroordeling van een soort binge eating before Christ.

Zoveel jaar after Christ is die filosofie nog steeds gangbaar, alleen wordt deze nu verkondigd door die ene inspirational quote, wereldwijd verspreid op steigerhouten tekstborden, muurstickers, postkaarten, sierraden en zelfs dekbedovertrekken: Enjoy the little things. Leef! Geniet! Van! De! Kleine! Dingen! Voor-we-het-vergeten!

 

Ik had gehoopt dat die leuze duizenden jaren na Epicurus wel een soort cultureel erfgoed was geworden. Een overbodigheid om nog aan te halen. Een vanzelfsprekendheid, zoals ademen dat is. Maar dat is het niet. Al te vaak gaan we voorbij aan wat écht telt. Aan de eerste stappen die leiden tot de marathon, aan de kleine dingen die, als we wat later terugkijken, groots bleken te zijn. Bedrukte bedovertrekken genoeg om het te bewijzen. 

Of beter nog: geef me een Toffifee en ik bewijs het. Voor de enkelingen die hier nog nooit van gehoord hebben: een Toffifee is een hazelnootbonbon. Een knapperige hazelnoot in karamel met praliné en bovenop een druppel chocolade. Ik herhaal: een druppel chocolade. De kleine dingen… Je begrijpt het ondertussen wel. Als ik zo’n bonbon eet, doe ik dat met zorg. Met liefde. Met smaak en geduld. Met mate, zoals men het lang, lang geleden bedoeld heeft. Groot is dan ook mijn afschuw wanneer ik anderen zich als wildemannen op die bonbons zie storten. Met de vijf vingers van een hand peuteren ze het uit de verpakking. Ongeduldig. Achteloos ook, want die bonbon is voor hen slechts één van de vele. Terwijl mijn blik op zo’n moment blijft hangen in het zwarte gat dat achterblijft in de verpakking, steken zij hun vingers al in hun mond. Bonbon inclusief. Drie keer kauwen en het ding is weg. Misschien is het zelfs twee keer en moet die derde mondbeweging slechts dienen als naschok. Vervolgens glijden hun vingers alweer over de andere bonbons, als vuile handen die onschuldige kinderkopjes strelen. Met slechte bedoelingen.

 

Ik wil die mensen behoeden voor hun eigen ondergang en voor maagpijn, Epicurus in gedachten. Maar het is niet aan mij om filosofische levensbeschouwingen op te werpen. In zulk vraatzuchtig gezelschap zou ik hoogstens opgemerkt worden bij het opwerpen en met open mond weer opvangen van zo’n bonbon. Om er dan in te stikken en dood op de grond te vallen, terwijl zij verzuchten dat ze dan meer bonbons voor zichzelf hebben.

Niet zo bij mij dus. Niet zo bij Epicurus. Als ik kon, zou ik die man dat feestmaal gunnen en hem die kaas zenden. Ik beeld me daarbij in dat hij nog het hardst zou genieten van de gaten.