basket.timer.attention

basket.timer.time.is.running.out

#TimeToPlay volgens Nele Reymen    

In haar dromen zijn we allemaal eenhoorns die cupcakes kakken. Auteur Nele Reymen is altijd hongerig naar voedsel voor brains en maag. Voor Juttu schrijft ze een column, ditmaal over de levenslessen op de speelplaats.

Vijf over tien. Dat was het moment. Geen minuut vroeger of later. Exact om vijf over tien rinkelde de bel en was het tijd om te spelen. Dan duwden we onze stoel naar achter en onszelf recht om het klaslokaal uit te rennen. Zo snel we konden, want met twintig minuten was die speeltijd beperkt. Het was een soort tijdslot waarin al het onmogelijke moest gebeuren. Een reis rond de wereld, trouwen met prinsen of met die beste vriendin, het wereldkampioenschap trefbal winnen en zandkoekjes bakken in ovens die al voorverwarmd waren. Want tijdens de speeltijd, in onze verbeelding en op de speelplaats, kon alles. Als we het maar zelf geloofden. 

 

Alle andere tijd naast die speeltijd was leertijd. Wist ik veel dat het ene eigenlijk gelijkstond aan het andere. Het is namelijk tijdens de speeltijd dat ik de grootste lessen geleerd heb. Dat je je handen niet in je broekzakken mag steken als je een hindernissenparcours wil nemen. Dat je moet rechtstaan nadat je valt, met of zonder hulp van anderen. Dat het leven niet liever voor je is als je de juiste schoenen, kleren of boekentas hebt. Dat liefdesverdriet zich niet beperkt tot de vier muren van het toilet, net zomin als geheimen. Dat geloof in jezelf wint van alle andere overtuigingen. 

Tijdens de speeltijd kon alles, als we het maar zelf geloofden

Die speelplaats was bijwijlen een slagveld, maar het was evengoed de plek waar herinneringen gemaakt werden en dat allemaal onder het wakend oog van één volwassene: de toezichter. De persoon die elke winter weer die lange gevoerde jas moest uithalen, omdat kinderen zich niet laten tegenhouden door weer en wind. Een indringer die als scheidsrechter fungeerde en die in de chaos goed van kwaad moest onderscheiden. Die tranen moest drogen en straf moest geven. Die toezichter was een baken, een veilige haven die de vreugde en het verdriet kon delen, zij het allemaal met één alleszeggende blik, vanop een respectabele afstand. Want huilen was nooit cool, laat staan dat je het bij de juf zou doen.

 

Alle kinderen die ooit samen met mij op de speelplaats gespeeld hebben, zijn op een of andere manier die toezichter geworden, de kijkende volwassene. Toezichters van hun eigen leven, met zelfgemaakte regels en vestimentaire code naar eigen goeddunken. Spelen doen we niet meer. Niet zoals vroeger, niet in die afgebakende tijd en ruimte. Ergens onderweg is het er bij de meesten uitgegroeid, uitgeroeid. Alsof er geen plaats meer is om te spelen zonder speelplaats, zonder denkbeeldige of levensechte speeltuigen- en kansen. Ook al zijn we allemaal grote kinderen en spelen we nog elke dag. Met elkaar, met onszelf of met iemand zijn voeten. We kunnen het niet laten.

 

Al te vaak vraag ik me af hoe de wereld er zou uitzien als volwassenen nog steeds de speelkansen kregen die kinderen krijgen. Hoe zou het zijn als om vijf over tien de bel gaat en iedereen plots alles laat vallen om te gaan spelen? Ik denk dat iedereen zou recht veren, op het juiste moment. Ik merk het als ik rond me kijk. Als mensen plots een glimlach op hun gezicht krijgen, als ze wegdromen of schuifelen op hun stoel. Als ook zij ongeduldig worden en vol verwachting naar de klok kijken. Dan weet ik het: dadelijk gaat de bel rinkelen. Dadelijk is het vijf over tien. Loop naar buiten. Er is niemand die kijkt.