#COLORYOURLIFE VOLGENS NELE REYMEN

#ColorYourLife volgens Nele Reymen


In haar dromen zijn we allemaal eenhoorns die cupcakes kakken, zo beweert Nele Reymen, auteur (lees haar laatste roman: Verloren Brood) met een hoek af. Voor Juttu heeft ze het deze keer over genummerde kleurplaten en het leven in zwart-wit. 

Meestal gingen de getallen van 1 tot 10, de kleuren van wit tot zwart en alles daartussen. Al kreeg wit meestal geen getal toegewezen. Wit mocht gewoon bestaan door de aanwezigheid van die andere kleuren. Als ik alles juist deed, kreeg ik papegaaien in de mooiste tinten rood en groen, een zon die altijd geel was. Prinsessen met gouden lokken, ogen zo blauw als het water op tropische stranden en schoenzolen die wit mochten blijven, ook na een wandeling door het groen. Moeilijk was het leven niet, zolang ik die kleurplaten met genummerde vakjes voorgeschoteld kreeg.

 

Mijn ingekleurde tekeningen waren daarom vaak bewijs van een perfect doordachte kleurencompositie. Enige fierheid was mijn ouders dan ook niet vreemd voor het kind dat liever kleurde dan zeurde. Het enige wat ik moest doen, was de juiste kleuren gebruiken en binnen de lijntjes blijven.

 

Mijn kleurboek met genummerde kleurplaten was mijn rijkdom, mijn gebundeld pakketje perfectie. Elke lege kleurplaat was een voorbode van wat het leven kon zijn, elke gekleurde kleurplaat was het leven zoals het moest zijn. Meer zekerheden had ik als kind niet nodig. Eenmaal het boek helemaal ingekleurd was, moest ik overschakelen op het inkleuren van bouwvallige huisjes en dieren met zwaar van de norm afwijkende lichamen die mijn zussen voor me tekenden op witte bladen. Soms stond er een verdwaalde penis op het blad waarvan ze beweerden dat het een vreemde fruitsoort was. Penissen zijn wat mij betreft dan ook lang oranje geweest.

Ik was het soort kind dat liever kleurde dan zeurde

Daar waar zij die witte bladen volkladden in alle spontaniteit, schrok de leegte mij af. Op een of andere gekke manier was de vrijheid van zo’n wit blad me te groot, de opties te talrijk.

 

Even heb ik geprobeerd in opstand te gaan door vliegtuigjes te plooien, maar die pogingen kan ik nog steeds weinig succesvol noemen. Naarmate ik ouder werd, verschoof dat kleuren sowieso naar de achtergrond en kwam het stiekem zoenen van jongens achter het snoepwinkeltje op de voorgrond. De creativiteit die ik daarbij aan de dag moest leggen, was wat mij betrof van een nog hogere orde dan bij het inkleuren van prenten en op een bepaald moment in mijn leven werd het ook tijdrovender. Prenten inkleuren was niet langer aan de orde en ik leerde dat het lichaam geen oranje onderdelen had. Niet als alles normaal verloopt.

 

Op vrije momenten schoten die kleurplaten echter nog wel eens door mijn hoofd, waarbij ik ernaar verlangde als een soort handleiding voor het leven. Bij elk probleem kon dan een cijfertje horen en bij elk cijfertje hoorde een oplossing.

 

Of het leven dan ook effectief een kleurplaat is, weet ik niet zo goed. Ik heb een zwarte wagen, een zwarte kat, een zwarte bril, witte muren en wit ondergoed dat grijs geworden is na een mislukte wasbeurt. De kleurplaat van mijn leven lijkt op het eerste zicht hooguit te bestaan uit twee uitersten en een midden. Niet eens echt kleuren te noemen of cijfertjeswaardig. Maar op die kleurplaat zie ik wel de lijnen die uitgezet zijn, in het beste geval door mezelf, en ik zie hoe ze vakjes vormen. Ik zie ook dat ik intussen zelf kan beslissen hoe ik die vakjes invul. Het enige wat ik moet doen, is buiten de lijntjes kleuren.