#LaVieEstBelge volgens Nele Reymen


#LaVieEstBelge volgens Nele Reymen

In haar dromen zijn we allemaal eenhoorns die cupcakes kakken, aldus Nele Reymen, auteur van o.a. de roman Verloren Brood. Voor Juttu schrijft ze een column, deze keer over een wereldbol, een zak chips en vettige vingers. 

We zaten in kleermakerszit tegenover elkaar. Het deken, een zak chips en de wereld tussen ons in, zo ongeveer. Die wereld zat vervat in een wereldbol zoals elk kind die kent. Hij was met plastic bekleed, werd rechtgehouden door een staander en verlichtte de hele kamer met het kleine lampje dat van binnenuit scheen. Mijn vriendinnetje en ik waren acht jaar. Dat was te oud om niet te weten dat de wereld rond was en te jong om te kunnen verklaren waarom men er aan de onderkant niet af viel. België lag ergens op die wereldbol, even letterlijk als figuurlijk onder en aan onze voeten.

 

Terwijl we verondersteld werden te slapen, deelden we kennis en die zak chips, om geen van beide werd ruzie gemaakt. We gooiden met weetjes, om de beurt.  Het water draait hier anders weg dan daar. Wij rijden rechts en zij rijden links. Zij gaan slapen als wij opstaan, zij eten lunch als wij aan het vieruurtje beginnen. Wij spreken dit en zij spreken dat. Daar is een president, daar een koning. Soms een koningin. Hier eten ze insecten, daar pizza. De wereld was een wij-zij verhaal en dat blijkt jaren later soms nog een jammerlijke metafoor voor het leven.  Onze vettige vingers lieten afdrukken achter op de plastic wereldbol, waardoor verschillende landen, mogelijks zelfs hele werelddelen, in een soort van dikke mist kwamen te liggen. We gingen later wonen waar onze wijsvinger de draaiende wereldbol deed stoppen terwijl we onze ogen sloten en we zouden lang en gelukkig leven. Want we waren acht jaar. Ik eindigde op een of andere manier telkens op de Noordpool, waar het me best gezellig leek. Brieven schrijven, dat zouden we ook doen, want we zouden allemaal elders belanden op die manier. Van Skype en Facebook was geen sprake, maar er waren wel mooie postzegels en geparfumeerd briefpapier voorhanden, dus dat scheelde. 

Ons land was een chipskruimel groot, en toch zouden we niet verhuizen

Toen mijn ouders de trap op stommelden, verdween de zak chips onder het bed, knipten we het lichtje uit en deden we alsof we sliepen terwijl we wakker lagen. We zeiden het niet luidop, maar wisten stiekem van elkaar dat we niet wilden verhuizen naar een ander land. Ook al was België maar een chipskruimel groot. De kruimel die achterbleef in de zak, in tegenstelling tot Duitsland of Italië, dat waren chips waar je even op kon kauwen. Dat land waar we woonden was niet van ons, maar het was wel het plekje waar we thuishoorden. Hoe ik dat moest verklaren, wist ik niet goed. En toen ik later hoorde dat thuis meer een gevoel was dan een plek, was ik helemaal in de war. Want dat zou betekenen dat ik me overal ter wereld thuis zou kunnen voelen.

 

Ondanks enkele omzwervingen ben ik jaren later nog steeds niet van de mening afgestapt die ik als achtjarige had. België is niet van mij, zo voelt het niet. België is van ons. Van iedereen. En net zoals alle andere landen is ook dit land meer dan een generalisering. Meer dan friet en chocolade, meer dan slechte wegen en taaldisputen. Meer dan slecht weer. België is voor mij een gevoel en dat maakt België meteen ook mijn thuis. Net zoals de rest van de wereld dat is voor de rest van de wereld.